Duivenei orgel – vooraanzicht

Retrove, een teruggevonden orgel?                                                        

In 2014 heeft Winold van er Putten een bijzonder orgel gereconstrueerd, of laten we zeggen: opnieuw uitgevonden.

Bij zijn nieuwste reconstructie heeft hij bij de pijpen en de intonatie consequent een oud middeleeuws principe gehanteerd: een groot duivenei als maatvoering voor één pijpmensuur. Van hoog tot laag hebben alle pijpen dezelfde diameter.

Dit resulteert in een briljante klank in de discant, in het middengebied juist een warme, dragende toon en in de baskant een wat meer aarzelende, kwetsbare toon, die tot volle bloei komt in samenspraak met andere pijpen, instrumenten en zangers.

Dit verschaft ons natuurlijk belangrijke historische informatie over de klankkarakteristieken van muziek in de 14e eeuw en daarvoor. Niet alleen de klank van orgels, maar ook die van zangstemmen, strijkinstrumenten en andere blaasinstrumenten had een dergelijke architectuur of balans.

Passen we deze 14e eeuwse klankkleur toe op bijvoorbeeld een gezongen driestemmig motet van Machaut (in pythagoreïsche stemming), met vooral de zachtere, boventoonrijke toon van de bas, en de veel vollere toon van de discant dan horen we hoe deze muziek in essentie zou moeten klinken.

Veelal wordt bij de uitvoering van vocale en instrumentale muziek uit de 14e eeuw (en vroeger) een wijze van interpreteren gehanteerd waarbij de balans, de stemming en de articulatie georiënteerd is op de klank van een 16e eeuws renaissanceorgel. Zo’n instrument heeft een bas met veel draagkracht, en een zachtere heldere discant.

Ook begrijpen we nu beter waarom de vroege ‘eenvoudige’ tweestemmige composities voor orgel uit de 14e en de vroege 15e eeuw geschreven zijn, zoals ze geschreven zijn: een tenormelodie in lange tonen (zoals een gregoriaanse melodie, of een dansmelodie) wordt op dit orgel in de bas gespeeld, de geïmproviseerde versieringen in de discant kunnen hierop vanzelf ontstaan. Tussenstemmen zijn in dit klankbeeld niet noodzakelijk, en bovendien ook lastiger op een dergelijk orgel te spelen i.v.m. de toetsbreedte.

Winold’s reconstructie doet – mede naar iconografisch onderzoek – vermoeden, dat dit het standaard type orgel tot en met de 14e eeuw was. Het zou in de loop van de 15e eeuw overgaan in een instrument waarbij de baspijpen veel meer ruimte kregen (zoals in het Rumsey-orgel te beluisteren valt).

Ik ben blij dat Winold met zijn ‘duivenei’ opnieuw een tipje van de sluier voor ons heeft opgelicht en ons zo weer dichter bij de vermoedelijk oorspronkelijke klank van middeleeuwse muziek kan brengen.
En natuurlijk wijst dit instrument ons ook de weg naar nieuwe, hedendaagse muziek.

Jankees Braaksma

Je suis trop jeunette – Raulin / Rudolph Agricola (instrumentaal) Florence, BNZ Magl. XIX 176

In 2016 uitgevoerd door Super Librum met Catalina Vicens op het duivenei orgel

Fragment van Peter Lunow’s compositie ‘Anna’, in opdracht van Super Librum geschreven voor sopraan, tenor, blokfluit, vedel, luit, carillon en het Duivenei – orgel, dat een centrale positie in deze compositie inneemt.